Help

Wat is de Leefbaarometer?

De Leefbaarometer geeft informatie over de leefbaarheid in alle buurten en wijken van Nederland. Het geeft de situatie in de wijk weer, maar ook ontwikkelingen en achtergronden van de buurt. Hiermee biedt de Leefbaarometer de mogelijkheid om snel en adequaat te reageren bij eventuele negatieve ontwikkelingen.

De Leefbaarometer kan gebruikt worden bij beleidsvoorbereiding: daarbij kan het bijvoorbeeld gaan om probleemsignalering en het stellen van een eerste wijkdiagnose. Ook kan het instrument gebruikt worden voor monitoring, evaluaties en verdiepend onderzoek. De Minister voor Wonen en Rijksdienst gebruikt de Leefbaarometer onder andere voor de monitoring van de leefbaarheidsontwikkelingen in Nederland. Ook is de Leefbaarometer bijvoorbeeld gebruikt voor onderzoek naar waterbedeffecten, om in de gaten te houden of problemen in aandachtswijken zich niet verplaatsen naar andere wijken.

De Leefbaarometer bevat informatie over 2002, 2008, 2012 en 2014. De Leefbaarometer wordt iedere twee jaar geactualiseerd.

terug naar boven

Waarom de Leefbaarometer?

De Leefbaarometer is ontwikkeld naar aanleiding van:

  • een advies van het Burgerplatform aan de voormalig minister van VROM voor een landsdekkend instrument om de leefbaarheid te signaleren;
  • de behoefte van steden, uitgesproken in het kader van het Grotestedenbeleid, aan een leefbaarheidsmonitor.

terug naar boven

Wat is leefbaarheid?

Aan de basis van de Leefbaarometer ligt een uitgebreide literatuurstudie van het begrip leefbaarheid (Leidelmeijer en Van Kamp, 2003). Aan deze studie is de definitie van leefbaarheid ontleend, waarvan wordt uitgegaan in de Leefbaarometer: Leefbaarheid is de mate waarin de omgeving aansluit bij de eisen en wensen die er door de mens aan worden gesteld.

terug naar boven

Hoe wordt de leefbaarheid gemeten?

De Leefbaarometer geeft een modelmatige schatting van de leefbaarheid. Hierbij is gekeken naar de mate waarin verschillende omgevingscondities van invloed zijn op het oordeel over, en de waardering voor, de directe woonomgeving. Dit is gedaan voor die plekken waarvoor wel gegevens over oordelen en waarderingen beschikbaar zijn. Aangenomen dat de gevonden relaties in principe voor heel Nederland gelden, is vervolgens op basis van landsdekkende bronnen over die omgevingscondities de leefbaarheid voor heel Nederland op een laag schaalniveau in kaart gebracht.

Om te bepalen in hoeverre een gebied positief of negatief scoort op de Leefbaarometer wordt gebruik gemaakt van 100 indicatoren (voornamelijk landelijke registraties).

De 100 indicatoren worden onderverdeeld in 5 onderliggende leefbaarheidsdimensies, zie hiervoor: Wat zijn de onderliggende dimensies?).

Meer gedetailleerde informatie over de werking van de Leefbaarometer vindt u in het document Leefbaarometer 2.0: Instrumentontwikkeling.

terug naar boven

Wat zijn de onderliggende dimensies?

De Leefbaarometer geeft in één cijfer de leefbaarheidsituatie van gebieden weer. Deze 'leefbaarheid' wordt samengesteld uit vijf onderliggende dimensies:

  1. Woningen
  2. Bewoners
  3. Voorzieningen
  4. Veiligheid
  5. Fysieke omgeving

Niet iedere dimensie telt even zwaar mee in de totaalscore van de leefbaarheid. Voorzieningen en veiligheid bepalen samen voor bijna de helft de eindscore.

Om de scores op de onderliggende dimensies in te zien kunt u op het gebied klikken in de kaart. Hiermee wordt zichtbaar hoe een bepaald gebied zich op een specifiek onderdeel van leefbaarheid verhoudt tot het landelijk gemiddelde in 2014. Ook ziet u wat de ontwikkelingen op achterliggende onderdelen zijn bij een verbetering of verslechtering van de leefbaarheid.

Let op: Terwijl de totale leefbaarheid wordt weergegeven als een absolute score, variërend van zeer onvoldoende tot uitstekend, geven deze deelscores aan of een gebied beter of slechter scoort dan het landelijk gemiddelde.

De leefbaarheidssituatie in Nederland wordt gemiddeld als 'ruim voldoende'/op de grens met 'goed' beoordeeld. Dus valt een gebied met oordeel 'voldoende' leefbaarheid onder het Nederlandse gemiddelde. Het kan daarom voorkomen dat (bijna) alle deelscores negatief uitvallen bij een 'voldoende' totaalscore.

Deze situatie is enigzins vergelijkbaar met een leerling die voor een vak een 7 (en dus ruim voldoende) staat, terwijl zijn klasgenoten gemiddeld een acht scoren. Die 7 is op zich een mooie voldoende, maar op afzonderlijke proefwerken zal deze leerling over het algemeen toch minder scoren dan zijn medeleerlingen.

Let op: de dimensiescores voor de jaren 2002 en 2008 wordt niet weergegeven. Zie hiervoor Is de leefbaarheid in vorige jaren opnieuw berekend met het nieuwe model?.

Voor meer informatie verwijzen wij u naar de uitgebreide Leefbaarometer 2.0: Instrumentontwikkeling. Een overzicht van de gebruikte indicatoren per dimensie vindt u hier.

terug naar boven

Hoe werkt de Leefbaarometer?



terug naar boven

Hoe wordt de leefbaarheid weergegeven?

De Leefbaarometer geeft de leefbaarheidssituatie in een bepaald jaar aan per woongebied, waarbij de volgende klasseringen worden gebruikt:

Legenda Leefbaarheid

Een gebied waarvoor onvoldoende indicatoren beschikbaar zijn om de leefbaarheid te schatten wordt in grijs weergegeven.

De Leefbaarometer geeft de Leefbaarheidssituatie weer in 9 klassen. Daarvan zijn 5 klassen positief en 3 klassen negatief. Er rest nog een middenklasse, de klasse "zwak" (lichtgeel). Indien een gebied lichtgeel kleurt, betekent dit dat dit gebied niet negatief scoort, tegelijkertijd betekent dit dat er wel iets aan de hand is waardoor er gesproken kan worden over matige leefbaarheid. Dit gebied verdient daarom ook de nodige aandacht.

Om leefbaarheidssituatie in een gebied weer te geven gaat u naar menukeuze "Kaart" en kiest u bij de kaartinstellingen voor de indicator "Leefbaarheidssituatie". U kunt kiezen voor kaarten op verschillende ruimtelijke schaalniveaus en verschillende jaartallen. Als u een kaart heeft gekozen wordt deze automatisch getoond.

Naast de leefbaarheidssituatie op een bepaald moment kunnen ook de ontwikkelingen in een bepaalde periode ingezien worden. Hiervoor worden deze klasseringen gebruikt:

Legenda Leefbaarheidsontwikkeling

Een gebied waarvoor onvoldoende indicatoren beschikbaar zijn om de leefbaarheidsontwikkeling te schatten wordt in grijs weergegeven.

Bij de leefbaarheidsontwikkelingen wordt een zevenpuntsschaal toegepast: 3 positieve klassen, 3 negatieve klassen en een neutrale (licht)gele klasse. In dit geval worden de gele gebieden gekenmerkt door een constante leefbaarheidssituatie (geen ontwikkeling). Met andere woorden is deze dus niet achteruit gegaan, maar ook niet vooruit.

Let op: het kan voorkomen dat een gebied in jaar 2 in een andere leefbaarheidsklasse terechtkomt dan in jaar 1, zonder dat er op de ontwikkelingsskaarten sprake is van een zichtbare leefbaarheidsontwikkeling. Dit kan indien een gebied bijvoorbeeld in jaar 1 net onder de bovengrens van een klasse scoort en in jaar 2 net boven deze grens scoort, en daarmee dus één klasse opschuift. Omdat het hier om kleine ontwikkelingen gaat en op de ontwikkelingskaarten alleen betekenisvolle ontwikkelingen weergegeven worden, is een dergelijke kleine ontwikkeling niet zichtbaar op de ontwikkelingskaarten.

Om leefbaarheidsontwikkelingen in te zien kiest u voor indicator "Leefbaarheidsontwikkeling".

terug naar boven

Wat is een grid?

In de Leefbaarometer worden de uitkomsten op het laagste schaalniveau gepresenteerd in de vorm van rasters ('grids') met blokken van 100x100 meter. De grids worden doorsneden met de vorm van het woongebied om recht te doen aan de werkelijke grenzen in een stad of dorp. Daardoor blijven bijvoorbeeld park of de grens met het omliggende weiland herkenbaar. Dat betekent ook dat er aan de randen van het woongebied deeltjes van blokken overblijven, aangezien ze doorsneden zijn. In tegenstelling tot de clusters uit de leefbaarometer 1.0 kunnen deze blokken wel in de tijd worden gevolgd. Een bijkomend voordeel van de grids is dat ze nadrukkelijker tonen dat de kaarten van de Leefbaarometer de weergave vormen van een model.

Alle berekeningen zijn op 6ppc-niveau uitgevoerd. Om tot de berekening van de gridscores te komen is gekeken welke 6ppc-gebieden in zo’n blok liggen. 6ppc-gebieden lopen echter dwars door de blokken heen. Daarom zijn die op basis van het woningaantal onderverdeeld en vervolgens is het naar bewonersaantal gewogen gemiddelde van de (delen) van 6ppc-gebieden binnen zo’n blok berekend. Een postcode die slechts een klein deel van zo’n blok uitmaakt telt hierdoor maar een klein beetje mee in de berekening van de leefbaarheidvan zo’n blok.

Let op: informatie op gridniveau is (in tegenstelling tot informatie op gemeente-, postcode-, wijk- en buurtniveau) alleen beschikbaar als kaartbeeld en niet via tabellen, omdat de blokken geen vaststaande (administratieve) indelingen volgen en het weergeven in een tabel, zonder een koppeling met een locatie op een kaart, niet zinvol is (het is dan immers niet duidelijk waar een blok zich precies bevindt).

Uit privacy- en stigmatiseringoverwegingen worden niet alle blokken afgebeeld. Alleen blokken waarvan de postcodes waaruit ze bestaan minimaal 100 inwoners in een straal van 200 meter tellen worden meegenomen. Concreet is voor iedere postcode berekend hoeveel bewoners er in een straal van 200 meter wonen en dit aantal is voor alle postcodes in het blok gesommeerd. Als dit opgetelde aantal lager is dan 100 bewoners, maar zo'n blok ligt in een aaneengesloten gebied met meerdere blokken met dezelfde leefbaarheidsklasse, dan wordt 300 inwoners van alle blokken opgeteld als ondergrens gehanteerd. Uiteindelijk betekent dit vooral dat blokken in het landelijk gebied die slechts uit een paar woningen bestaan worden verwijderd. Blokken in de kernen en steden worden zo wel afgebeeld.

De grenzen van een grid zijn niet hard. U stapt niet met één voetstap van een blok met zwakke leefbaarheid in een blok met onvoldoende leefbaarheid. Hier zijn meerdere redenen voor:

  • de onderliggende berekening van 6ppc scores betreft bij een groot deel van de indicatoren een ruimtelijk gemiddelde van 200 meter rondom die postcode. Dit betekent ook dat de gridscore gezien kan worden als een ruimtelijk gemiddelde van een grotere straal;
  • het werken met "harde" klassengrenzen kan ten onrechte harde overgangen in leefbaarheid suggerereren, terwijl in de meeste gevallen de leefbaarheid in twee aaneengesloten blokken, mede vanwege het werken met ruimtelijke gemiddelden van 200m, niet veel zal afwijken. Echter, het ene blok kan net in de ene klasse vallen, terwijl het andere net aan de andere zijde van de klassengrens valt.

terug naar boven

Wat is het CBS-wijk- of buurtniveau?

Dit is de landelijke indeling van wijken en buurten van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Deze indeling komt vaak overeen met de lokale gebiedsindelingen.

Informatie over de indeling in wijken en buurten in 2014 vindt u op de website van het CBS.

terug naar boven

Wat is het postcodeniveau?

Postcodeniveau betreft een indeling van gebieden volgens de postcodes van PostNL. Elk adres beschikt over een bepaalde postcode. Alle adressen die dezelfde 4 cijfers van de postcode hebben vormen één postcodegebied.

terug naar boven

Wat is een schaalafhankelijke kaart?

Wanneer bij het ruimtelijk schaalniveau gekozen wordt voor Schaalafhankelijk zal de Leefbaarometer zelf een schaalniveau (gemeente, wijk, buurt of grid) kiezen dat het best past bij het gebruikte zoomniveau. Wanneer helemaal uitgezoomd is - en geheel Nederland dus in beeld is - zal de kaart weergegeven worden op gemeenteniveau. Maar wanneer heel sterk wordt uitvergroot - en dus individuele straten zichtbaar worden - zal de Leefbaarometer de kaart weergeven op gridniveau.

De Leefbaarometer kent maar één schaalafhankelijke kaart: de leefbaarheidskaart van 2014. Bij alle overige kaarten moet u zelf de keuze maken voor een passend ruimtelijk schaalniveau.

terug naar boven

Is de leefbaarheid in vorige jaren opnieuw berekend met het nieuwe model ?

Met de introductie van de Leefbaarometer 2.0 ontstaat een trendbreuk. De Leefbaarometer 2.0 is immers deels gebaseerd op andere indicatoren dan de Leefbaarometer 1.0. Die breuk positioneren we in 2012. De meting 2012 zoals die in de Leefbaarometer 2.0 wordt gepresenteerd is ook de uitkomst van Leefbaarometer 2.0. Deze is dus anders dan de uitkomst van de meting 2012 waarover eerder is gerapporteerd.

Uitkomsten van eerdere metingen – bijvoorbeeld 2008 - worden zodanig getransformeerd dat de ontwikkeling tussen 2008 en 2012 gelijk is aan de ontwikkeling die is gemeten met de Leefbaarometer 1.0. De standscore 2008 wordt dan berekend als het verschil tussen de stand 2012 (gemeten met Leefbaarometer 2.0) en de ontwikkeling tussen 2008 en 2012 (gemeten met de Leefbaarometer 1.0). Hetzelfde principe wordt toegepast op 2002. De oude metingen van 1998 en 2010 zijn komen te vervallen en worden zowel in de kaarten als in de analyses niet meer opgenomen.

Omdat de leefbaarheid voor 2002 en 2008 dus niet is berekend met het model van de Leefbaarometer 2.0 kunnen voor deze jaren geen dimensiescores worden weergegeven.

Kan ik de leefbaarheid in een buurt ook op andere wijze bekijken?

In de Leefbaarometer wordt de leefbaarheid met behulp van kaarten weergegeven. Maar de scores uit de Leefbaarometer zijn ook beschikbaar in tabelvorm. Of als Open data, bijvoorbeeld in de vorm van Excel spreadsheets, ESRI Shapefiles of Web Map Services. Kijk hiervoor op de pagina Open data.

terug naar boven

Welke relevante publicaties zijn er verschenen?

Alle relevante publicaties over de Leefbaarometer zijn raadpleegbaar via menukeuze Publicaties.

terug naar boven

Andere vragen?

Heeft u een vraag over de Leefbaarometer en kunt u het antwoord niet op deze informatiepagina's vinden?
Dan kunt u mailen naar de postbus leefbaarometer.

terug naar boven

Leefbaarometer.